home

Het strafrecht is een rechtsgebied dat bij veel mensen het meest tot de verbeelding spreekt. Het is een onderwerp dat vaak in het nieuws komt en waar iedereen wel een mening over heeft, bijvoorbeeld over de vraag of rechters te strenge of juist te milde straffen opleggen. In deze afdeling zullen we uitleggen hoe het strafrecht in elkaar zit. Allereerst is het in het strafrecht van belang om vast te stellen wanneer je nou eigenlijk strafbaar bent. 

 

Wanneer ben je strafbaar?

In het Wetboek van Strafrecht staan veel strafbare feiten opgesomd. In die strafbepalingen staat omschreven waaraan je moet voldoen om strafbaar te zijn. Neem bijvoorbeeld het delict diefstal (art. 310 Wetboek van Strafrecht, afkorting: Sr). Dat artikel bepaalt: 'Hij die enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort wegneemt, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, wordt, als schuldig aan diefstal, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.' Deze bepaling bestaat uit een aantal bestanddelen van het delict 'diefstal', een kwalificatie van diefstal en de straf die daarvoor kan worden opgelegd. In dit geval zijn de bestanddelen:  (1) enig goed, (2) dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, (3) wegneemt, (4) met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Als je op het station een fiets steelt, voldoe je doorgaans aan deze bestanddelen. Een fiets is 'enig goed' 'dat toebehoort aan een ander'. Je bent immers zelf geen eigenaar van de fiets. Je zaagt het slot door en fietst weg. Er is dan ook sprake van 'wegnemen'. Het laatste bestanddeel houdt in dat je de bedoeling hebt (een vorm van opzet) om je de fiets toe te eigenen zonder dat je daarvoor toestemming hebt van de rechthebbende (eigenaar). Als we aannemen dat dat het geval is, zijn alle bestanddelen voor dit delict vervuld. Het is aan de Officier van Justitie om te bewijzen dat aan alle bestanddelen voldaan is.

Naast bestanddelen kennen we ook de elementen  'wederrechtelijkheid' en 'schuld'. In sommige gevallen staan deze termen in de delictsomschrijving en zijn ze bestanddeel. Dan geldt wat hierboven is beschreven. In niet alle delictsomschrijvingen is dat echter het geval. Ook dan moet er voldaan zijn aan de vereisten van wederrechtelijkheid en schuld. Wederrechtelijkheid houdt in dat de gedraging in strijd is met het recht, dus dat er geen rechtvaardigingsgrond voor is aan te wijzen. Schuld houdt in dat de dader iets te verwijten valt. Deze elementen worden verondersteld, die hoeft de Officier niet te bewijzen. Je moet zelf als verdachte een beroep doen op het ontbreken van een van de elementen.

Tot slot is het nog van belang dat de strafbare gedraging niet slechts uit een 'doen' hoeft te bestaan. Het kan ook gaan om een nalaten. Als je dan aan de bestanddelen en eventueel de elementen 'wederrechtelijkheid' en 'schuld' voldoet, ben je strafbaar.  

 

NB: In deze afdeling geven we vooral algemene informatie over enkele aspecten van het strafrecht. Wanneer u zelf verdacht wordt van een strafbaar feit, is het doorgaans raadzaam om een advocaat in te schakelen.