home

WR 2014/3: Woonruimte: onredelijk bezwarend boetebeding bij
huurovereenkomst; ambtshalve toetsing

Instantie:      Hof 's-Hertogenbosch    Datum:  24 september 2013
Magistraten:    Mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen, R.R.M. de Moor
Zaaknr:         HD 200.102.652/01


Uitspraak Hof Den Bosch 24 september 2013

Wetingang: (art. 6:233 onder a en art. 6:94 BW; Richtlijn 93/13 EEG)

De richtlijnconforme (Richtlijn 93/13/EEG) uitleg van art. 6:233 onder
a BW brengt met zich dat, wanneer de rechter oordeelt dat er sprake is
van een onredelijk bezwarend beding, hij het beding moet vernietigen
en hij niet bevoegd is de boete te matigen. Het hof oordeelt dat bij
de beoordeling of sprake is van een onredelijk bezwarend beding alle
omstandigheden van het geval, waaronder de aard en de overige inhoud
van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn
gekomen en de wederzijds kenbare belangen van partijen meegenomen
moeten worden. Beoordeeld moet worden of het boetebeding, naar de
situatie ten tijde van de toepasselijkverklaring van de algemene
voorwaarden, onredelijk bezwarend is. Vanwege de verplichting tot
ambtshalve toetsing, zal het hof alle hem uit het dossier blijkende
gegevens in zijn beoordeling betrekken.
Het betreft hier een huurovereenkomst van een sociale huurwoning,
gesloten door een professionele verhuurder en een niet-professionele
huurder. Het belang van de huurder is dat hij over woonruimte beschikt
en het belang van de verhuurder is dat hij woonruimte wil verhuren
volgens het woonruimteverdeelsysteem en illegale onderhuur wil
tegengaan. Het boetebeding is opgenomen in de algemene voorwaarden.
Over de algemene voorwaarden is door partijen niet onderhandeld. In de
algemene voorwaarden zijn veel meer voorschriften voor de huurder
opgenomen dan voor de verhuurder. Het beding heeft betrekking op
iedere overtreding van de algemene voorwaarden zonder onderscheid in
aard en ernst van de overtredingen. Het boetebeding heeft alleen
betrekking op overtredingen van de huurder en niet op die van de
verhuurder. Voor het boetebeding wordt nergens in de overeenkomst of
de algemene voorwaarden compenserend voordeel geboden. Het beding kan
ook worden ingeroepen wanneer de verhuurder daarnaast aanspraak maakt
op nakoming en schadevergoeding. Er is geen limiet gesteld aan de
boete. Het beding stelt de boete op EURO 125 per dag en houdt verder
onder meer in dat het minimale boetebedrag jaarlijks zal worden
geïndexeerd. Gegevens omtrent het basisbedrag zijn niet eenvoudig te
raadplegen en ook is niet vermeld volgens welke methode zal worden
geïndexeerd. Het beding leidt ertoe dat een huurder die iemand een
maand laat inwonen een boete verschuldigd is van meer dan negen maal
de maandhuur (zonder indexering) en tienmaal de maandhuur (met
indexering). Ditzelfde geldt voor iedere andere overtreding, hoe klein
ook. Gelet op deze feiten en omstandigheden oordeelt het hof dat het
boetebeding een onredelijk bezwarend beding is.
Naar het oordeel van het hof is een boetebeding onredelijk bezwarend,
ook wanneer rekening gehouden wordt met een matigingsbevoegdheid,
indien de boete die eruit volgt met ten minste 95% gematigd dient te
worden om aanvaardbaar te zijn.
Partij(en)

Appellant:
X., zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland
Advocaat:
mr. T. Möller
tegen
Geïntimeerde:
Stichting Wonenbreburg, gevestigd te Tilburg
Advocaat:
mr. drs. D.A.C. Janssen
Bewerkte uitspraak

Uitspraak

(...)
11.De verdere beoordeling
11.1    Bij genoemd tussenarrest van 7 mei 2013 heeft het hof de zaak
naar de rol verwezen voor gelijktijdige memories aan de zijde van
beide partijen, waarna zij in de gelegenheid zijn gesteld op elkaars
memorie bij antwoordmemorie te reageren. Iedere verdere beslissing is
aangehouden.

11.2    Het hof heeft partijen aldus in de gelegenheid gesteld hun
standpunt naar voren te brengen ten aanzien van de vraag of
huurovereenkomsten zoals door hen gesloten vallen onder de
werkingssfeer van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993
betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna:
de Richtlijn) en toe te lichten waartoe hun standpunten volgens hen
leiden.

11.3    Huurder heeft - onder verwijzing naar de hierna nader bespreken
uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie - kort gezegd
als zijn standpunt naar voren gebracht dat de huurovereenkomst die hij
met verhuurster gesloten heeft onder de werkingssfeer van de Richtlijn
valt en dat zulks er toe leidt dat het boetebeding, waarop verhuurster
zich beroept en dat volgens huurder onredelijk bezwarend is, buiten
toepassing moet worden gelaten.

11.4    Verhuurster heeft kort gezegd als haar standpunt naar voren
gebracht dat artikel 6:233 BW richtlijnconform dient te worden
uitgelegd, waarna geconcludeerd moet worden dat het boetebeding waarop
verhuurster zich beroept niet onredelijk bezwarend is als bedoeld in
artikel 6:233 BW.

11.5    Het hof overweegt dienaangaande het volgende. In zijn uitspraak
van 30 mei 2013 met het kenmerk C-488/11 heeft het Hof van Justitie
van de Europese Unie (HvJ) de prejudiciële vragen beantwoord die hem
waren gesteld door het gerechtshof Amsterdam in het arrest van 13
september 2011, LJN BS7888. Het hof heeft aan het HvJ onder meer
gevraagd - kort gezegd - of een huurovereenkomst tussen een
bedrijfsmatige verhuurder en een particulier onder de werkingssfeer
van de Richtlijn valt. Het HvJ heeft die vraag bevestigend beantwoord.
Gelet hierop is het hof van oordeel dat de huurovereenkomst van
partijen, ook particulier en bedrijfsmatig verhuurder, onder de
werkingssfeer van de Richtlijn valt.

11.6    Conform vaste Europese jurisprudentie (zie recent HvJ EU 21
februari 2013 C-472/11, LJN: BZ5271 inzake Banif Plus Bank Zrt/Csaba
Csipai en Viktória Csipai) moet de Richtlijn niet rechtstreeks worden
toegepast, maar moet de nationale wetgeving richtlijnconform worden
uitgelegd; zo nodig moet ambtshalve gekeken worden of sprake is van
een oneerlijk beding.

11.7    Huurder heeft in algemene zin allereerst een beroep gedaan op
artikel 6:233 onder a BW (het boetebeding is onredelijk bezwarend en
daarom vernietigbaar) en ten tweede op artikel 6:94 BW (de billijkheid
eist klaarblijkelijk dat de boete wordt gematigd). Dat roept de vraag
op hoe beide artikelen zich tot elkaar verhouden in het licht van de
Richtlijn.

11.8    In zijn uitspraak van 24 maart 2006, LJN: AV1706, heeft de HR
geoordeeld dat de matigingssanctie van artikel 6:94 BW en de
vernietigbaarheid uit artikel 6:233 sub a BW alternatief toepasbare
sancties zijn en dat geen van beide sancties prevaleert of absolute
voorrang heeft. Algemeen wordt aangenomen, mede gezien de
parlementaire geschiedenis, dat bij de beoordeling van de vraag of een
beding onredelijk bezwarend is de mogelijkheid dat het boetebeding
later nog kan worden gematigd, moet worden meegewogen.

11.9    Blijkens eerdergenoemd arrest heeft het gerechtshof Amsterdam
hierover ook een vraag gesteld aan het HvJ. Het hof heeft gevraagd of,
indien een boetebeding als oneerlijk wordt aangemerkt, volstaan kan
worden met matiging van de boete in plaats van het buiten toepassing
laten van het gehele boetebeding. Het HvJ heeft in zijn uitspraak van
30 mei 2013 geantwoord dat een nationale rechter die heeft vastgesteld
dat een boetebeding in een overeenkomst tussen een verkoper en een
consument oneerlijk is, er niet mee mag volstaan, zoals dit op grond
van het (Nederlandse) nationale recht is toegestaan, de hoogte van de
ingevolge dat beding aan die consument in rekening gebrachte boete te
matigen, maar zonder meer verplicht is dat beding voor de consument
buiten toepassing te laten. Het HvJ heeft hierbij verwezen naar het in
artikel 7 van de Richtlijn genoemde langetermijndoel (namelijk een
einde maken aan gebruik van oneerlijke bedingen), waarvan de
verwezenlijking in gevaar zou kunnen komen wanneer de rechter de
inhoud van oneerlijke bedingen zou herzien. Aldus zou de
afschrikwekkende werking die uitgaat van loutere niet-toepassing
immers verminderen.
In zijn arrest van 13 september 2013 (ECLI:NL:HR:2013:691) heeft de HR
geoordeeld dat indien de rechter vaststelt dat een beding oneerlijk is
in de zin van Richtlijn 93/13, hij gehouden is het beding te
vernietigen.

11.10   Het hof leidt hieruit af dat richtlijnconforme uitleg van
artikel 6:233 sub a BW met zich brengt dat, wanneer de rechter tot het
oordeel komt dat sprake is van een onredelijk bezwarend beding, hij
het beding moet vernietigen en hij niet bevoegd is de boete te
matigen.

11.11   In zijn uitspraak van 14 juni 2012, nr. C-618/10, LJN: BW9433
inzake Banco Espanol, heeft het HvJ geoordeeld dat de Richtlijn zich
verzet tegen wetgeving van een lidstaat op grond waarvan de nationale
rechter, wanneer hij de nietigheid van een oneerlijk beding vaststelt,
de betrokken overeenkomst kan aanvullen door de inhoud van dat beding
te herzien in plaats van het oneerlijke beding eenvoudig buiten
toepassing te verklaren. De Richtlijn beoogt een eind te maken aan het
gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten
en verkopers. Indien de nationale rechter de inhoud van oneerlijke
bedingen zou kunnen herzien, zou de verwezenlijking van dit
langetermijndoel in gevaar kunnen komen. De bevoegdheid tot herziening
zou ertoe bijdragen dat de voor handelaars afschrikwekkende werking
die uitgaat van loutere niet-toepassing van dergelijke oneerlijke
bedingen ten aanzien van de consument wordt uitgeschakeld, aangezien
deze handelaars in de verleiding zouden blijven om die bedingen te
gebruiken in de wetenschap dat ook al mochten deze ongeldig worden
verklaard, de overeenkomst niettemin voor zover noodzakelijk door de
rechter zouden kunnen worden aangevuld en het belang van die
handelaars dus gediend zou zijn. Indien de nationale rechter een
dergelijke bevoegdheid werd toegekend, zou dit op zich geen even
doeltreffende bescherming van de consument kunnen verzekeren als die
welke voortvloeit uit de niet-toepassing van oneerlijke bedingen,
aldus het HvJ in de hiervoor genoemde uitspraak.

11.12   Naar het oordeel van het hof volgt hieruit dat bij de
beoordeling of sprake is van een onredelijk bezwarend beding als
bedoeld in artikel 6:233 sub a BW geen rekening moet worden gehouden
met de mogelijkheid dat de rechter de boete kan matigen. Matiging komt
immers in feite neer op herziening van de inhoud van het beding: in
plaats van boetebedrag X wordt het lagere boetebedrag Y in het beding
gelezen. Net als de mogelijkheid om de inhoud van oneerlijke bedingen
te herzien, schakelt ook de mogelijkheid om de boete te matigen de
voor handelaars afschrikwekkende werking die uitgaat van loutere
niet-toepassing van oneerlijke bedingen uit. Daarbij komt dat de
consument zelf een beroep moet doen op matiging en het beroep alleen
onder bijzondere omstandigheden slaagt. Aldus biedt matiging van de
boete de consument een minder doeltreffende bescherming dan wanneer
het beding (ambtshalve) buiten toepassing wordt gelaten.

11.13   Bij de beoordeling of sprake is van een onredelijk bezwarend
beding als bedoeld in artikel 6:233 onder a BW - en hierbij de
doelstellingen van de Richtlijn betrekkend - dient naar het oordeel
van het hof, behoudens op de matigingsbevoegdheid (zie immers
hiervoor), acht te worden geslagen op alle omstandigheden van het
geval, waaronder de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de
wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen en de wederzijds
kenbare belangen van partijen (zie ook HR 21 september 2012, LJN:
BW6135, JBPr 2012, 69). Het ligt daarbij in beginsel op de weg van
huurder toe te lichten dat en waarom het boetebeding, beoordeeld naar
de situatie ten tijde van de toepasselijkverklaring van de algemene
voorwaarden, onredelijk bezwarend is (aldus de HR in zijn
eerdergenoemd arrest van 24 maart 2006 en recent in zijn arrest van 21
september 2012, LJN BW6135).
Echter: nu de rechter ook verplicht is ambtshalve te onderzoeken,
zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en
rechtens, beschikt, of een contractueel beding mogelijk oneerlijk is
(zie de uitspraak van het HvJ van 30 mei 2013 en verder met name
arresten HvJ van 14 juni 2012, Banco Español de Crédito, C-618/10, en
van 21 februari 2013, Banif Plus Bank, C-472/11 en voorts ook het
eerder genoemde arrest van de HR van 13 september 2013), zal het hof
ook alle hem uit het dossier blijkende gegevens in zijn beoordeling
betrekken en niet slechts de feiten die huurder aan zijn stellingen
ten grondslag heeft gelegd.

11.14   Het betreft hier een huurovereenkomst met betrekking tot een
sociale huurwoning, gesloten door een professionele verhuurder en een
niet-professionele huurder.
Als wederzijds kenbare belangen zijn aan te merken het belang van de
huurder dat hij over woonruimte dient te beschikken en het belang van
de verhuurder dat hij woonruimte wil verhuren volgens het
woonruimteverdeelsysteem en illegale onderhuur (met de mogelijk
daarmee gepaard gaande criminaliteit) wil tegengaan.
Het beding is niet opgenomen in de huurovereenkomst zelf, maar in de
daarop van toepassing verklaarde algemene voorwaarden. Over de
algemene voorwaarden is door partijen niet onderhandeld. In de
algemene voorwaarden zijn veel meer voorschriften voor de huurder
opgenomen dan voor de verhuurder. Het beding heeft betrekking op
iedere overtreding van de algemene voorwaarden en er is geen oog voor
verschillen in aard en ernst van de overtredingen. Het boetebeding
heeft alleen betrekking op overtredingen van de huurder en niet op die
van de verhuurder. Voor het boetebeding wordt nergens in de
overeenkomst of de algemene voorwaarden compenserend voordeel geboden.
Het beding kan, in afwijking van artikel 6:92 BW, ook worden
ingeroepen wanneer de verhuurder daarnaast aanspraak maakt op nakoming
en schadevergoeding.
Er is in het beding of elders in de algemene voorwaarden geen limiet
gesteld aan de boete. Het beding stelt de boete op EURO 125 per dag en
houdt verder onder meer in dat het minimale boetebedrag jaarlijks zal
worden geïndexeerd volgens de CBS Consumentenprijsindex Alle
Huishoudens met 2000 als basisjaar, op basis waarvan het ten tijde van
de procedure in eerste aanleg - door huurder niet weersproken - EURO 142
per dag bedroeg. Niet alleen zijn gegevens met betrekking tot het jaar
2000 alleen op aanvraag bij het CBS beschikbaar en niet eenvoudig te
raadplegen, maar ook is niet vermeld volgens welke methode zal worden
geïndexeerd. Het beding leidt ertoe dat een huurder die iemand een
maand laat inwonen - uitgaande van gemiddeld 30 dagen per maand - een
boete verschuldigd is van EURO 3750, meer dan negen maal de maandhuur
(als de indexering buiten beschouwing wordt gelaten), terwijl
uitgaande van de indexering een boete verschuldigd is van EURO 4260,
zijnde tienmaal de maandhuur. Ditzelfde geldt voor iedere andere
overtreding, hoe klein ook.
Gelet op deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat het
boetebeding in artikel 16 van de algemene voorwaarden die deel
uitmaken van de huurovereenkomst van partijen een onredelijk bezwarend
beding als bedoeld in artikel 6:233 onder a BW is.

11.15   Dit oordeel zou overigens niet anders worden indien daarbij wel
de matigingsbevoegdheid van de rechter ex artikel 6:94 BW zou worden
betrokken. De kantonrechter heeft, nadat verhuurster zelf 'slechts' EURO
10.000 had gevorderd aan boete, in eerste aanleg de boete gematigd tot
een bedrag van EURO 5000 (welk bedrag door huurder overigens in hoger
beroep is bestreden). Dat komt erop neer dat de kantonrechter een
boete van ten hoogste EURO 6,94 per dag aanvaardbaar achtte. Deze
beslissing is door verhuurster in hoger beroep niet bestreden.
Ervan uitgaande dat de inwoning meer dan 24 maanden heeft geduurd en
dat op grond van het boetebeding een boete verschuldigd zou zijn van
ten minste EURO 102.240, dient er in hoger beroep van te worden uitgegaan
dat de billijkheid klaarblijkelijk eist dat de boete wordt gematigd
tot ten hoogste EURO 5000 ofwel 4,89% van het verschuldigde boetebedrag.
Naar het oordeel van het hof is een boetebeding onredelijk bezwarend,
ook wanneer rekening gehouden wordt met een matigingsbevoegdheid,
indien de boete die eruit volgt met ten minste 95% gematigd dient te
worden om aanvaardbaar te zijn.

11.16   Verhuurster heeft in het kader van de beoordeling of sprake is
van een onredelijk bezwarend beding voorts nog gewezen op het
volgende: er is geen ander middel om onderhuur tegen te gaan dat even
effectief is als, maar minder belastend is dan, een boetebeding;
andere middelen zijn duurder voor verhuurster; doel van het
boetebeding is om onderhuur financieel onaantrekkelijk te maken; een
hoge boete is nodig om de huurder het profijt dat hij van de onderhuur
heeft gehad te ontnemen.

11.17   Het hof is van oordeel dat de door verhuurster genoemde feiten
en omstandigheden niet rechtvaardigen dat huurder door het beding van
aanvang af ten aanzien van alle mogelijke overtredingen van bepalingen
uit de huurovereenkomst of uit de algemene voorwaarden wordt
blootgesteld aan de onredelijk bezwarende gevolgen als hiervoor zijn
vastgesteld, temeer daar niet is komen vast te staan dat en in
hoeverre huurder profijt heeft gehad van de onderhuur en evenmin de
door verhuurster geleden schade op enigerlei wijze is gekwantificeerd.

11.18   Zoals hiervoor al is overwogen volgt uit de uitspraak van het
HvJ van 30 mei 2013 en uit het arrest van de HR van 13 september 2013
dat een nationale rechter, die heeft vastgesteld dat een boetebeding
in een overeenkomst, die onder de werkingssfeer van de Richtlijn valt,
oneerlijk is, zonder meer verplicht is dat beding buiten toepassing te
laten.

11.19   Dit brengt naar het oordeel van het hof met zich dat als sanctie
moet volgen dat het onredelijk bezwarend beding moet worden geacht te
zijn vernietigd als verzocht, weshalve de vordering van verhuurder tot
betaling van de daarop gebaseerde boete moet worden afgewezen. Nu
verhuurster niet heeft gegriefd tegen de afwijzing van de vordering
ter zake door huurder mogelijk genoten inkomsten wegens onderhuur is
immers geen andere grondslag voor enige betaling door huurder aan de
orde.

11.20   Huurder heeft gezien het voorgaande geen belang (meer) bij de
behandeling van zijn bezwaren tegen de hoogte van de door de
kantonrechter gematigde boete. Grieven 4 en 5 van huurder slagen.

11.21   Slotsom is dat het bestreden vonnis van de kantonrechter wat
betreft de veroordeling tot betaling van een geldboete niet in stand
kan blijven en in zoverre dient te worden vernietigd.

11.22   Het hof ziet aanleiding de proceskosten in hoger beroep te
compenseren in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

12.De uitspraak
Het hof:
vernietigt het vonnis van de kantonrechter van 9 maart 2011, aangevuld
bij vonnis van 29 maart 2011, voor zover huurder daarbij is
veroordeeld tot betaling van een geldboete van EURO 5000 en in zoverre
opnieuw rechtdoende:
wijst de gevorderde boete voor zover in appel nog aan de orde af;
bekrachtigt het bestreden vonnis, voor zover aan het oordeel van het
hof onderworpen, voor het overige;
compenseert de proceskosten van het hoger beroep in die zin, dat
iedere partij de eigen kosten draagt.